RocketTheme Joomla Templates
     
Roodvleugelparkiet
Geschreven door Wil van Zon   
De literatuur spreekt over 3 ondersoorten. Een ondersoort wordt door kenners niet als ondersoort gezien, maar we geven van deze 3 soorten wel de beschrijving en het verspreidingsgebied.

Aprosmictus e. erythropus.
Dit is qua afmeting de meest forse vogel en hij heeft ook het grootste verspreidingsgebied. Vanuit zuidelijke richting omvat dit gebied het oostelijk deel van Australië. Dit bevat het Noordelijk deel van Noord -Zuid Wales, in noordelijke richting overgaand in bijna geheel Queensland tot aan Cape York.

Aprosmictus e. papua.
Deze soort lijkt sprekend op de e.erythropus en het wordt door kenners in twijfel getrokken of dit een aparte ondersoort is. Zijn verspreidingsgebied is de Zuidkant van Nieuw Guinea.

Aprosmictus e. coccineopterus.
Deze soort wordt ook wel de kleine Roodvleugelparkiet genoemd. Hij is ten opzichte van de bovengenoemde soorten zeker 3 á 4 cm kleiner van postuur, en is wat fletser van kleur. Hij komt voor in het Noorden van Australië van Cape York tot aan de omgeving van Kimberley.

Zij leven in open bosgebieden met Eucalyptusbomen, langs waterlopen en halfdroge gebieden met acaciastruiken en in zanderige streken, aan randen van regenwouden en landbouwgebieden. Zelfs Noord Oostelijk in Mangrovebossen. Het zijn echte boombewoners. Zij worden vaak samen gezien met de B. Barnard parkiet.

In Avicultuur is dit geen veel voorkomende soort. Mede vanwege de prijs van een jong koppel. Het geslacht is bij jonge vogels zeer moeilijk vast te stellen. Ze lijken veel op de pop die maar summier rood op de vleugels vertoont. De vogels zijn na ongeveer 2 jaar op kleur en dan ook geslachtsrijp. Zij moeten gehouden worden in een ruime lange volière om goed te kunnen vliegen. Pas in de vlucht zijn de prachtige kleuren van de man zichtbaar. Zij moeten (omdat de poten erg vorstgevoelig zijn) zeker de beschikking hebben over een tocht-vocht- en vorstvrij binnen/nachthok. Het zijn rustige, aangename vogels, maar kunnen wel erg schrikachtig zijn. Bij het minste geringste onraad vliegen zij luid schetterend op. Ze zijn in de volière moeilijk benaderbaar.

Het ideale broedblok voor deze vogels is een natuurstam van 1 ½ tot 2 meter diep met een doorsnede van 30 cm. Het invlieggat 10 cm. Aan de binnenzijde moeten trapjes van gaas of takjes gemaakt worden voor het bestreden en het verlaten van het broedblok. Als nestmateriaal is vermolmd hout of zaagsel vermengd met potgrond of turf geschikt. Deze broedblokken kunt U het beste begin maart plaatsen op een koele, donkere plaats. De pop legt 3 tot 6 eieren om de 2 dagen. Na 18 tot 20 dagen komen de jongen uit. De pop voert de jongen alleen en verlaat het broedblok 's morgens vroeg vaak langdurig. Bij koude weersomstandigheden kan een warmteplaatje uitkomst bieden. De jongen na 8 a 10 dagen ringen met ringmaat 6,5 mm. Na 6 tot 8 weken verlaten de jongen het broedblok. De jongen worden dan nog 3 a 4 weken door beide ouders gevoerd. Het komt voor dat de oudervogels aan een 2e ronde beginnen. Dan kunt U de jongen het beste weghalen. De jongen kunnen tot een leeftijd van 1 jaar, eventueel met andere soorten jongen bij elkaar in een volière. Het 1e jaar vindt ook vaak de partnerkeuze plaats. Zodra een koppel gevormd is deze apart zetten. Het is raadzaam ze niet naast Koningsparkieten of Rosella's te plaatsen. Zij kunnen niet met elkaar overweg. Dat geeft veel onrust en zullen zij ook niet tot broeden komen.

Voeding:
Een zaadmengsel voor grote parkieten, aangevuld met fruit, groenten, eivoer. Grit en maagkiezel mag ook niet ontbreken, en zorg voor verse wilgen- en onbespoten fruitboomtakken om te knagen.

Roodvleugelparkiet koppel

 

KvVV statistieken

Artikelen bekeken hits : 140318